Columns van De Reisdokter

Ronald Hulsebosch, expeditieartsInspelend op de actualiteit en puttend uit zijn uitgebreide praktijkervaring behandelt dokter Ronald Hulsebosch in deze column de gezondheidsrisico’s op reis en schrijft wat je er tegen kunt doen. Ronald Hulsebosch is huisarts in Den Haag en is zeer betrokken bij Nederlandse expedities.

De combinatie van zijn beroep en passie voor buitensport zorgt ervoor dat hij naam gevestigd heeft als expeditiearts. In 2001 nam hij het initiatief voor de unieke formule voor reisvaccinaties: De Reisdokter. Bij diverse huisartspraktijken kunt u terecht voor medisch reisadvies, vaccinaties, malariapreventie en medical kits.

Presenteren op hoogte

Vandaag stond in de krant dat de spoorlijn naar Lhasa met technische moeilijkheden te kampen heeft. De permanent bevroren bodem in Tibet is meer in beweging dan de ingenieurs dachten, waardoor de rails instabiel worden. De spoorlijn bereikt een hoogte van boven 5000 meter. Blijkbaar is het menselijk lichaam sterker. Er leven al tien duizenden jaren mensen in Tibet tussen 4 en 5000 meter en een aantal klimmers onder wie Wilco van Rooijen ( net terug van de Broad Peak en de K2 in Pakistan) is in staat om zonder zuurstof tot ver boven 8000 meter hoogte te klimmen en nog heelhuids terug te komen. Wat doet hoogte met het menselijk lichaam en hoe kan je op zeer grote hoogte nog lichamelijke arbeid verrichten?
Als je van zeeniveau naar 5000 meter hoogte wordt gevlogen en daar uitstapt ( de hoogte van de basiskampen in de Himalaya) krijg je last van hoofdpijn, misselijkheid en kortademigheid. Je zult slecht slapen en je eetlust verliezen. De kans is aanwezig dat je situatie verslechtert en je gevaarlijk ziek wordt. Als je doorvliegt naar de top van de Mount Everest en daar uitstapt zul je waarschijnlijk het bewustzijn verliezen en doodgaan. Dat dit bij klimmers niet gebeurt ( soms gebeurt het trouwens wel) is verbazingwekkend en te danken aan het wonderbaarlijke vermogen van ons lichaam zich aan te passen aan een zuurstofarme omgeving. Niet ieder lichaam kan dit even goed. Die aanpassing noemen we acclimatisatie en neemt enige weken in beslag. Als je die tijd niet hebt zoals in het fictieve voorbeeld of niet neemt, zoals nogal wat wandelaars doen, loopt het slecht met je af.
Het probleem op hoogte is een tekort aan zuurstof, dat nodig is om voedingsstoffen te verbranden , waardoor energie vrijkomt.. Op 5000 meter bevat de lucht slechts de helft van de hoeveelheid zuurstof als op zeeniveau. Het percentage is gelijk ( ongeveer 20%) maar de absolute hoeveelheid lucht (de luchtdruk) is veel lager, waardoor ook de absolute hoeveelheid zuurstof veel lager is. Boven 2000 meter hoogte begint dit langzamerhand het lichaam te beinvloeden in de zin van een verminderd inspanningsvermogen. Als je in Lhasa ( 3600 meter) aankomt per vliegtuig, kom je niet zonder hijgen de trap op, een paar dagen later gaat het al beter. Welke aanpassingsmechanismen heeft het lichaam tot zijn beschikking?
Snelle hartslag: dit verschijnsel verdwijnt als het acclimatisatieproces na enige weken is voltooid.
Snelle ademhaling ( hyperventilatie): dit blijft en speelt een essentiele rol bij de aanpassing aan hoogte. Mensen, die als reactie op zuurstofgebrek niet goed genoeg hyperventileren, passen zich slecht aan op hoogte, hebben een grotere kans op hoogteziekte en presteren veel minder.
Stijging van het hemoglobine gehalte in het bloed, waardoor het bloed meer zuurstof kan vervoeren ( het natuurlijke EPO effect).
Betere doorbloeding van hersenen en spieren. Op den duur worden zelfs nieuwe bloedvaten aangemaakt in de spieren en verbetert ook op celniveau de zuurstofhuishouding.
Het doel van dit alles is evenveel energie uit de voeding te halen met behulp van een kleinere hoeveelheid zuurstof. Dit lukt wonderwel, maar heeft zijn grenzen. Boven 5000 meter hoogte is geen permanent leven mogelijk. De hyperventilatie en andere aanpassingen kosten veel energie. Als het verblijf op hoogte lang duurt , treedt onherroepelijk verval van het lichaam op. Dat uit zich in verlies van spiermassa en lichaamsgewicht. Ook dit proces begint gelijk met de acclimatisatie. Ergens tussen aanpassing en verval moet de klimmer pieken en de top bereiken. Deze korte periode waarin de klimmer zich op zijn best voelt, ligt ergens tussen 3 en 6 weken op hoogte. Als de top binnen 2 weken beklommen moet worden, is de acclimatisatie nog niet optimaal: de kans op succes is dan klein en de kans op ongelukken door hoogteziekte groot. Als de expeditie te lang duurt, heeft het verval het intussen gewonnen van de aanpassing en doet de klimmer er het beste aan geen toppoging meer te ondernemen. Dit heeft belangrijke gevolgen voor organisatie en logistiek van een klimexpeditie.Te lang verblijf op hoogte heeft ook mentale gevolgen: moedeloosheid, onverschilligheid, concentratiegebrek. Geen geestestoestand om een 8 duizender te beklimmen. Er zijn uiteraard verschillen in vermogen tot aanpassing onder klimmers. Dit valt nauwelijks te trainen maar is grotendeels een kwestie van natuurlijke aanleg. Leeftijd, geslacht, gewicht en conditie spelen geen rol van betekenis wat aanpassing aan hoogte en kans op hoogteziekte betreft. Ze bepalen echter wel het prestatievermogen op hoogte.
Naast hoogteziekteverschijnselen als long-en hersenoedeem bedreigt ook uitdroging de klimmer. De extreem droge en koude lucht , de hyperventilatie en de enorme lichamelijke inspanning onttrekken veel vocht aan het lichaam. Het is onmogelijk dit helemaal aan te vullen. Dat zou wel 6 liter per dag betekenen! Uitdroging maakt het lichaam zwak, de geest suf en vergroot de kans op hoogteziekte en bevriezing.
Dit alles overziend lijkt het haast onmogelijk om op grote hoogte een enorme lichamelijke prestatie te verrichten, die nodig is om een top boven de 8000 meter te beklimmen. Dat is dan ook – zeker zonder zuurstof- aan weinigen gegeven.
Welke mogelijkheden heeft een klimmer om dit toch te bereiken?
Vooropgesteld moet hij beschikken over natuurlijke aanleg niet alleen voor het klimwerk, maar ook voor aanpassing aan zuurstofgebrek. Een goede klimmer, wiens lichaam zich slecht aanpast aan extreme hoogte, moet zich niet aan een Himalaya top wagen. Dit kan je slechts ondervinden en is moeilijk te testen in laboratoriumomstandigheden.
Zuinig omspringen met energie, de wetten van acclimatisatie respecteren, je lichaam leren kennen, een grote discipline in eten en drinken ondanks vermoeidheid, slaap, misselijkheid en gebrek aan eetlust en dorstgevoel zijn van levensbelang.
Een klimmer kan zich trainen in snel klimmen, waardoor hij niet zo lang in de zone des doods boven 7000 meter hoeft te blijven. Ervaring speelt een grote rol. Ook sterke en goede klimmers lukt het zelden om meteen de eerste keer een 8 duizender te beklimmen.
Uiteraard zijn ambitie en een ijzeren doorzettings- en incasseringsvermogen onmisbaar.
Doping speelt geen rol. Ik zou niet weten welke middelen je zouden kunnen helpen bij het beklimmen van de hoogste toppen. Bij mijn weten worden er geen middelen gebruikt, behalve Diamox, dat de acclimatisatie versnelt en alleen in die fase zinvol is.
Is het mogelijk om zoals Wilco van Rooijen in 1 expeditie 2 toppen boven 8000 meter te beklimmen zonder zuurstof? Met een beetje goede wil zou je de Broad Peak als acclimatisatieklim kunnen beschouwen voor de 600 meter hogere en moelijkere K2.
De tijd is een beperkende factor. De kans bestaat dat hij niet volledig geacclimatiseerd naar de top van de Broad Peak gaat en over de top van acclimatisatie heen in de fase van lichamelijk verval aan de K2 begint. De tijd zal het leren.

Ronald Hulsebosch

PS. Wilco is veilig maar uitgeput terug in het basiskamp na een tweede, helaas mislukte toppoging naar de K2. 60 dagen boven 5000 meter hoogte is te lang.

Website en afsprakenmodule zijn gerealiseerd door BaseNet | © 2019 De Reisdokter